Get Adobe Flash player

Verwijzingen

(1) De gerechtsbode, vaak kortweg bode genoemd, ondersteunde de schepenbank bij de uitvoering van haar taken. Hij werd aangesteld door de drossaard. De bode zorgde o.a. voor:

-           het bezorgen van ambtelijke stukken.

-           afkondigen en afficheren van bekendmakingen op de kerkdeur.

-           aanzeggen van beslagleggingen oftewel arresten..

-           arrestatie en bewaking van delinquenten

-           dagvaarden van gedaagden

-           waarnemen van de taken van de (land)scholtis bij diens afwezigheid. Dit werd ook vaak gedaan door de oudste schepen in functie.

Bij een openbare verkoop speelde de bode een nadrukkelijke rol in de procedure. Hij zorgde bijvoorbeeld voor de stokslagen waarbij de laatste bieder werd aangewezen als koper. In sommige akten wordt expliciet nog een tweede of derde stokkenslag genoemd, hetgeen sterk lijkt op de manier waarop tegenwoordig nog veilingen verlopen (éénmaal, andermaal, verkocht...). Soms werd de koop bezegeld met een palmslag, waarbij koper en verkoper in elkaars hand sloegen. We kennen dit oude gebruik nog steeds van veemarkten. Het lijkt erop dat gebruik werd gemaakt van stokkenslag óf palmslag.

Bij overdrachten moest soms bodeloon worden betaald. Bij een overdracht van landerijen te Beesel in 1781 (waarde 150 gulden) bedroegen de onkosten van overdracht 9 gulden 4 stuiver, lycoop 3 gulden 11 stuiver, het bodeloon 1 gulden en de registratie 1 gulden.

(2) Een goede herbergier (waard) was de steun en toeverlaat van zijn gasten uit het buitenland, een verlengstuk van de overheid in zijn eigen stad en een geziene gastheer voor zijn medeburgers. Ook werd er handel gedreven in de herberg. Reizende kooplieden hielden zakenbesprekingen in de gelagkamer. Onroerend goed verwisselde er van eigenaar; de waard trad vaak op als getuige of zelfs als makelaar. Een goede waard stond in hoog aanzien. In sommige steden telde zijn getuigenis even zwaar als die van twee burgers. Veel waarden hadden een functie in het stadsbestuur; sommige schopten het zelfs tot burgemeester.  De herberg leek soms wel een dependance van het stadhuis, zo vaak waren de stadsbestuurders in de gelagkamer te vinden. Veel vergaderingen en transacties vonden plaats in de herberg. Ook grepen de hoogwaardigheidsbekleders vrijwel elke gelegenheid aan om er op kosten van de stad een maaltijd of een drankje te gebruiken. Het gemeentebestuur bracht zijn gasten natuurlijk het liefst onder in de beste herberg van de stad, bij een waard met een uitstekende reputatie. Die waard diende ook het nodige improvisatievermogen te bezitten. Hij mocht er niet tegen opzien, een zich plotseling aandienend gezelschap van tientallen personen (en niet te vergeten hun paarden) te herbergen. Gereserveerd werd er zelden of nooit in die dagen; dat was ook niet goed mogelijk in een wereld waar de communicatie even snel verliep als een paard kon lopen of een schip kon varen.

(3) Een heemraad (ook: hoogheemraad) is een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap. Een heemraad heeft een vergelijkbare functie als een wethouder bij een gemeente. Een heemraad wordt door het algemeen bestuur van een waterschap gekozen in het dagelijks bestuur van een waterschap. Het dagelijks bestuur van een waterschap wordt ook wel college van dijkgraaf en heemraden genoemd.

Bij enkele waterschappen in het westen van Nederland (die zichzelf als hoogheemraadschap aanduiden) wordt een lid van het dagelijks bestuur hoogheemraad genoemd in plaats van heemraad. Bij de waterschappen in het oosten van Nederland wordt de term heemraad of hoogheemraad minder gebruikt en wordt de leden van het dagelijks bestuur simpelweg als DB-lid aangeduid.

(4) Bouwman Eigenlijk iemand die het land bewerkt, bebouwt. Een landbouwer, een akkerman. In de Rechten van Deventer wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen poorters en landbouwers. "Bouwluyden, so sich alleene met ackerwerck erneeren, ende geen andere handelinge drijven, sullen tot volle Burgeren niet aengenomen worden." Het is altijd hard zwoegen geweest op het land. De landbouwers waren afhankelijk van het weer en ook van de bodemgesteldheid. Zo verbouwde men vroeger langs de Wadden in hoofdzaak haver. Wat meer zuidelijker lagen de drogere, zwaardere gronden, geschikt voor erwten en bonen. Daarvoor moest men de grond diep omploegen. Toen de achttiende eeuw al flink was gevorderd verbouwde men koolzaad, dat er goed gedijde door het kalkgehalte en de niet te droge bodem. De kleibodem van Westfriesland leende zich uitstekend voor de verbouw van groenten en ooft. In Zuidholland, waar de klei doorsneden werd met veenstroken verbouwde men gerst, tarwe, haver en bonen. In het Rijn-Maasgebied volgde men - om de bouwlanden geschikt te houden - een eigenaardig stelsel. Het eerste jaar zaaide men tarwe of gerst. Het tweede jaar verbouwde men tarwe en in het derde jaar werd er haver, rogge of klaver gezaaid. 1) In Twente werd ook sporadisch rogge zowel als boekweit verbouwd, maar de vlasteelt trad meer op de voorgrond.

(5) De kerkvoogden en de commissie van bijstand hebben de zorg voor de stoffelijke belangen van de gemeente, zoals het beheer van de gebouwen, traktementen, salarissen en de jaarlijkse bijdrage aan de Hervormde Kerk. Verder zorgen zij voor de inning ten bate van de generale kas en de kerkelijke leden-administratie. In het afgelopen jaar is er door de kerkelijke gemeente veel gedaan, onder andere is het verenigingsgebouw vergroot. De kerkvoogdij is dankbaar, dat de gemeente haar steeds in staat heeft gesteld dit alles te realiseren. Er wordt door de gemeente veel geld bijeen gebracht.

(6) Het college van diakenen in een plaatselijke Protestantse kerk wordt wel de diaconie genoemd. De diaconie verleent zijn ondersteuning zo veel mogelijk anoniem: de gevers weten niet wie de giften zullen ontvangen. Een diaken heeft daarom ambtsgeheim, hierdoor wordt de privacy van de ontvangers gewaarborgd. Door de komst van de sociale zekerheid in West-Europa is het werkterrein van diakenen veranderd, omdat hierdoor het aantal behoeftigen sterk afnam. Daarom ziet de diaconie tegenwoordig in veel gevallen niet alleen een taak in de plaatselijke gemeenten, maar ook wereldwijd: het werelddiaconaat. Hierbij steunen diaconieën in rijke landen de sociale taken van kerken in armere landen. Naast het inzamelen en verantwoord besteden ziet de diaconie ook vaak een taak in de bewustmaking van de leden van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

(7) De ouderlingen hebben het pastoraal opzicht over de gemeente. De bestuurlijke taak berust bij de kerkenraad, bestaande uit de bovengenoemde ambten. Ouderlingen en diakenen moeten volgens de kerkorde periodiek worden gekozen.

(8) De schepen maakt deel uit van de schepenbank waarvan de voorzitter, afhankelijk van de streek, meier, schout of baljuw wordt genoemd. Samen met deze voorzitter formuleerden zij de vonnissen. De schepenbanken hadden in de eerste plaats een rechterlijke taak ten aanzien van personen en goederen die binnen hun rechtsgebied vielen. Naar gelang van de mate van bevoegdheid (graad van jurisdictie) (hogere, middelste of lagere jurisdictie) was de schepenbank bevoegd om bepaalde misdrijven te berechten en uitspraak te doen in burgerlijke geschillen. Soms ook in criminele zaken (hogere jurisdictie), doorgaans uitgezonderd die waarvoor lijfstraffen golden.

(9) Glazenier. Een glasmedaillon in de kerk te Oosthuizen (NH) toont een glazenmakerswerkplaats uit 1735. Duidelijk ziet men het rek met ronde glasschijven. Ook op de glasemaakersprent van Jan Luiken, die het repareren van een ruit toont, ziet men in de glasbak stukken van ronde glasschijven. Oorspronkelijk werd het glas bewerkt met een snijijzer, dik aan het uiteinde, dat, gloeiend gemaakt langs een afgetekende lijn getrokken, het glas deed springen. Met een gruizelijzer, een platte staaf ijzer waarin aan de beide uiteinden een inkeping, iets breder dan de gebruikelijke dikte van het glas, werden er dan schilfers afgeknabbeld en uiteindelijk werd het verkregen ruitje met een slijpsteen bijgeslepen. Ondanks deze primitieve hulpmiddelen werden de moeilijkste vormen aan een stuk glas gegeven. Omstreeks 1500 kwam de diamant in gebruik om het glas de gewenste vorm te geven, wat een aanzienlijke vergemakkelijking betekende. De ruitjes werden omzoomd door een loodstrip, waarin zich aan beide zijden een sponningsgroef bevond. Waar de ene strip de andere raakte, werd het raakpunt met zuivere tin gesoldeerd. Deze loodstrippen werden gegoten en daarna door een loodmolen getrokken om ze het juiste profiel te geven.

(10) Heilgegeestmeester. De Heilige Geest was in die tijd een instelling voor Armenzorg. De armste inwoners van de stad konden er aankloppen voor voedsel, een paar schoenen, kleding of een zak turf. De kerk en het stadsbestuur werkten samen om de allerarmsten uit de samenleving te beschermen. Onder toezicht van de Heilige Geestmeesters vonden de uitdelingen plaats. In de loop van de 15e eeuw werd echter het aantal armen steeds groter. De Heilige Geestmeesters en de stedelijke overheid konden de zorg voor de armen bijna niet meer aan. De toeloop van behoeftigen was enorm.
In de kerkelijke parochies werd om die reden een zogenaamde ‘loodmeester’ aangesteld. Weer zo’n vreemd begrip.
Bij de loodmeesters ontvingen de armen een speciaal geslagen muntje, een loodje. De arme ging met zijn loodje naar de plaatselijke bakker, de slager, de kleermaker of de schoenlapper voor een of ander begeerd artikel. Na verloop van tijd stapte de winkelier met een zak vol loodjes naar de Heilige Geestmeesters om af te rekenen. Een uniek systeem van Armenzorg dat nu nog voortleeft in een uitdrukking uit de volksmond. Wie het laatste loodje had gelegd werd tenslotte door de Heilige Geestmeesters in een graf voor de armen begraven
.

(11) Akte van Indemniteit. In de 17de en 18de eeuw werd een niet gering deel van de bevolking permanent of tijdelijk bedeeld. Zo waren er veel seizoenarbeiders, die in de zomer genoeg verdienden maar in de winter nauwelijks konden rondkomen. Ook bejaarden hadden het moeilijk. Vele instellingen zoals de diaconieën of armenkamers van de verschillende kerkelijke gemeenten en parochies, aalmoezenierskamers, gasthuizen en fondsen zorgden goed voor de inwoners van eigen stad of dorp. Voor personen die van elders afkomstig waren bleven de beurzen meestal gesloten. Men wilde voorkomen dat vreemdelingen ooit een beroep op steunverlening zouden doen. Daarom moesten deze in vele gevallen een bewijs overleggen van de diaconie of het gerecht van de plaats van herkomst dat deze de kosten van eventuele steunverlening zou betalen, meestal voor een bepaalde periode. Zo'n bewijs heet een akte van indemniteit. In de oude en in de nieuwe woonplaats werden de gegevens genoteerd. In de provincie Utrecht was dit sinds 1725 bij Statenverordening voorgeschreven. De praktijk verschilde echter van plaats tot plaats. Voor genealogen is deze bron van belang, omdat de verhuisdatum en de geboorteplaats van iemand vermeld worden. Wanneer een gezin met enkele kinderen verhuisde, dan staan ook de namen en soms de leeftijden van de overige gezinsleden vermeld.

(12) Lid van de rechtbank in de Bataafs-Franse tijd.

(13) De plaatselijke overheid. wordt in de Bataafs-Franse tijd de Municipaliteit genoemd. Dat min of meer democratisch gekozen college is, zoals vroeger de door regenten bemande Schepenbank, verantwoordelijk voor het bestuur van de gemeente en voor de lage rechtspraak en het notariaat.

(14) Zou nu 40ha zijn.

(15) Zoutgeld. In 1693 gingen de Staten ertoe over mensen al naar gelang hun vermogen aan te slaan voor een bepaald bedrag aan zoutgeld. Hierdoor werd de impost op zout een directe in plaats van een indirecte belasting. Het te betalen bedrag was gebaseerd op de taxaties voor de 1000e penning. Vandaar dat de kohieren van deze belasting en het zoutgeld uit 1694 bij elkaar zijn gevoegd. De registers zijn zo ingericht, dat ter linkerzijde van de namen van de aangeslagenen het bedrag staat dat in de 1000e penning, en ter rechterzijde het bedrag wordt vermeld dat aan zoutgeld moest worden betaald. Er is verder alleen nog een register van het zoutgeld uit 1701 aanwezig.

1000e en 500e penning. In 1638 besloten de Staten voor dat jaar `een duysensten penninck van eenes yderen middelen' te heffen, om de bijdragen aan de oorlogslasten van de Republiek beter te kunnen opbrengen. In deze `taxatie' werd men aangeslagen uit hoofde van de eigendom van onroerende goederen in of buiten de provincie, die de waarde van vijfhonderd gulden te boven gingen. Werd iemands bezit op een bedrag tussen de vijfhonderd en duizend gulden getaxeerd, dan moest één gulden worden betaald; bij een waardering van duizend tot tweeduizend gulden dertig stuiver en boven de tweeduizend gulden werd voor elke duizend gulden één gulden ingevorderd. Na 1762 is deze belasting niet meer geheven.

(16) De schout was een lokaal ambtenaar belast met bestuurlijke en gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde. Zijn taken varieerden naar tijd en plaats.

Vanaf de hoge middeleeuwen was hij bijvoorbeeld hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt. Ook kon de schout de voornaamste bestuurder zijn binnen een heerlijkheid; hij werd dan aangesteld door de heer om in diens naam te handelen. In een boerenambacht werd de schout ook wel huisman (huesmann) genoemd en was hij een niet-horig bezitter van een vrij overerfbare hoeve. In steden kon de schout worden gezien als hoofd van het justitieel apparaat. Hij was openbaar aanklager, hoofd van het opsporingsapparaat en zat het gerecht voor (de vierschaar).

(17) De heer of vrijheer, was in het Ancien Régime de heerser van een Heerlijkheid. Hij was doorgaans een leenman van het Landsheerlijke gezag boven hem. In de Nederlanden kon dat een Graaf, een Hertog, een Prins-Bisschop of een Vorst-Abt zijn. Veel heerlijkheden waren in handen van de adel. Ook regenten schaften heerlijkheden aan, met het doel zich een semi-adellijke status aan te meten. Zij voegden dan vaak de naam van de heerlijkheid aan hun achternaam toe, zoals de geslachten Bicker van Swieten, Deutz van Assendelft en Six van Oterleek. Daarnaast waren veel heerlijkheden in handen van steden. De steden kochten heerlijkheden om zeggenschap te krijgen over het grondgebied rond de stad, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de stad economische schade zou ondervinden van tolheffingen.

(18) Ambtman. Een Ambtman (Amtmann, lat. iudex) is de middeleeuwse benaming voor een beheerder van het woud. In de middeleeuwen werd het landgoed van een koning of vorst door een Ambtman beheerd. De Ambtman zag toe op het onderhoud van het woud, het kappen en de verwerking van het hout, het innen van de woudpacht en was opzichter over het in het woud werkzame personeel (forestarii). Bij de Hertog van Gelre was een ambtman een (hoge) bestuurder van een gebied namens de Hertog. De functie was vergelijkbaar met dat van een burgemeester of met een hogere rang dan die van schout. De functie was vaak ook erfelijk en kon ook verkocht worden.

(19) Baljuw was de benaming voor de ambtenaar die tijdens het Ancien Régime de vorst vertegenwoordigde in de steden en in landelijke gebieden. Zijn ontstaan gaat terug op de Franse koning Filips II August die hen voor het eerst aanstelde. De benaming werd hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk gebruikt. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard (Brabant), amman (Brussel), meier (Leuven, Asse) en schout (Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Turnhout).

(20) Burger is een vrij oude term. Vroeger hadden burgers andere rechten dan bijvoorbeeld boeren. Burgers woonden in steden met stadsrecht. Het waren in tegenstelling tot de boeren handswerkslieden en handelaars. De term stamt al uit de tijd van het feodaal stelsel en de middeleeuwen.

(21) De dijkgraaf is de benaming voor de voorzitter van een waterschap, in Vlaanderen polder genoemd. Een dijkgraaf is vergelijkbaar met de functie van burgemeester. Een dijkgraaf is voorzitter van zowel het algemeen als het dagelijks bestuur van een waterschap. Het dagelijks bestuur van een waterschap wordt college van dijkgraaf en heemraden genoemd. Een dijkgraaf wordt voor een periode van zes jaar door de Kroon benoemd. In het verleden werden bij voorkeur mensen benoemd die zelf aanzienlijke bezittingen hadden in het te beschermen gebied. De gedachte hierachter was dat het eigenbelang van de dijkgraaf hem motiveerde om de veiligheid van het gebied tegen overstromingen te waarborgen. Hoewel de titel 'dijkgraaf' geen adellijke titel is, kwamen in de praktijk dijkgraven door dit beleid vaak uit adellijke families.

(22) Burggraaf (Latijn: praefectus, castellanus of burggravius) is een adellijke titel (vroeger een functie), die gewoonlijk hoger is dan baron maar een graad lager dan graaf. Het vrouwelijke equivalent is burggravin. De drager van deze titel vervulde vanaf de vroege middeleeuwen een militaire bestuursfunctie voor een leenheer en was in rang grofweg vergelijkbaar met een hooggeplaatste bevelhebber van een garnizoen. Hij of zij zetelde op een burcht of ander soort vesting, waarvan de naam werd afgeleid. De functie van burggraaf verwerd langzamerhand tot een erfelijke functie, waarna de titel haar betekenis verloor en een dode letter werd. De leen van een burggraaf (wanneer van toepassing) werd burggraafschap (Latijn: prefectura) genoemd.

(23) Ridder is een adellijke titel. De ridders hebben de laagste titel in de adel; onder hen staat de ongetitelde adel en baronnen zijn hoger in rang. In de middeleeuwen was een ridder een bewapende ruiter, de stand der bewapende ruiters werd al snel een gesloten klasse. In Nederland en België bestond vroeger ook een vrouwelijke equivalent welke millitissa werd genoemd. De titel ridder komt in Nederland en Vlaanderen op twee manieren voor: "op alle" en "met het recht op eerstgeboorte".In het eerste geval heeft ieder lid van de betreffende adellijke familie (dat wil zeggen iedere mannelijke afstammeling, in mannelijke lijn) recht op de titel.In het tweede geval wordt de titel vererfd in Salische lijn. Dat wil zeggen dat de oudste mannelijke afstammeling van de eerste drager van de titel zich ridder mag noemen. De rest is dan dus titelloos.

(24) Een schildknaap was een (adellijke) jongeman die in dienst stond van een ridder. Iedere schildknaap begon als page (ruwweg vanaf het zevende tot het veertiende, vijftiende levensjaar). Adellijke vaders brachten hun zonen naar een bevriend heer om zorg te dragen voor de opvoeding. Een page was een persoonlijk dienaar van een ridder.

(25) Biersteker Ook bierkoper en bierbeschooier, bierhandelaar. Eigenlijk was hij een soort tussenhandelaar, want het bier mocht niet rechtstreeks vanuit de brouwerij aan de consument worden verkocht. En een biersteker van toen had een druk leven, er waren namelijk nogal wat verschillende soorten bier. Om er maar een paar te noemen: Israël, Farao, Delfts en Haarlems bier, kuytbier, Engels bier, scheepsbier dat langer houdbaar was, de zware Duitse moutbieren als het Bremer, Hamburger en Jopenbier. Verder was er dikbier en het goedkope dunbier. Dit laatste werd ook wel scharrebier genoemd en was van geringe kwaliteit. "Scharrebier was de drank voor de gewone man en daarom ook aan geen excys onderworpen. Scharrebier dronken de bijltjes op de werven, en voor sjouwers en straatloopers was 't op bruggen en pleinen te koop" 1). Dit scharrebier kostte in 1535 veertien stuivers de ton 2).
Bierstekers mochten volgens contract alleen van bepaalde brouwers bier kopen. Zo mochten bijvoorbeeld op de Haarlemse "biercay" te Purmerend uitsluitend Haarlemse bieren worden verhandeld. Zo'n biersteker daar was Jan Lugtig, die rond 1750 Haarlems bier leverde 3). Een andere biersteker was de Amsterdammer Dirck Dorst op de Burgwal. Hij betaalde in 1585 ƒ12,-- belasting. Vijfjaar later komt hij nog eens voor en dan wordt zijn beroep omschreven als bierbeschooier 4).

(26) Beurtschipper (Skipper)Beurtvaart is een vaste vaart op gezette dagen onderhouden door beurtschippers. Zij onderhouden een geregelde dienst tussen twee of meer plaatsen. In Nederland bestond al vroeg een heel netwerk van beurtschippers. Nicolaas Beets schreef rond 1840 over de beurtschipper 1): "Geeft u hem een mondelinge boodschap, een open brief, een grote som gelds, een kostbaar meubel mee, geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het geld te kort komen, maar ook geen letter in de brief gelezen, geen krasje op het kostbare stuk gemaakt worden". Toch werden de beurtschippers wel eens op hun vingers getikt, omdat zij niet op tijd vertrokken, soms brieven of pakjes lieten liggen en andere zaken vergaten te doen. Reden bijvoorbeeld om voor de beurtschippers van Dordrecht in 1771 een reglement op te stellen waarin het advies "ten spoedigsten te besorgen aan den eygenaar alle de brieven en addressen of opschriften en pakjes of geld welke de schipper kan medenemen; en van de goederen welke te groot, zwaar of te meenigvuldig zijn, alleenig maar de brieven ofte opschriften daar bij behoorende". En elders lezen we, dat in 1780 de beurt-schippers werd voorgeschreven "zig bescheyden en nugteren moeten gedraagen, ten einde de Ingezetenen behoorlijk werden bedient en gerieft"

(27) Drapenier In 1514 verklaarden de burgemeesters van Delft dat ".... de principale neringhe daer de stede bij staet, es brouwerie en de draperie.".. Belangrijke middelen van bestaan, niet alleen in Delft, maar ook elders.
Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij in de vroege middeleeuwen de 'wullewerckers' zelf hun wol inkochten via het lokale aanbod. Geleidelijk aan nam de vraag toe en ook ging men hogere eisen aan de geweven stoffen stellen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten uitgeoefend kon worden, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevorderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed aan loonwerkers. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nederlanden de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers(later verkort tot drapiers) of lakenreders, stelden.
In handvesten en placaatboeken uit uiteenlopende steden komen bepalingen voor, die van toepassing waren voor deze drapeniers. Als vestigingsplaatsen voor de wolnijverheid in de Noordelijke Nederlanden waren vooral bekend Tilburg, dat destijds geen stad was en zo buiten de gildebepalingen viel, waardoor aldaar concurrerende prijsvorming kon ontstaan en Leiden. Na de val van Antwerpen in 1585 gaf de stroom vluchtelingen, ervaren in de moderne technieken een nieuwe impuls aan de saaiweverij, de "nieuwe draperie" en in de zeventiende eeuw was Leiden zelfs de eerste textielstad van Europa. Verschillende andere steden als Amsterdam, Delft en Utrecht hebben eveneens lakenindustrie gekend. In verschillende steden herinneren straatnamen nog aan dit oude ambacht. In Brabant (dat destijds als wingewest werd beschouwd) verplaatste dit 'wollewerck' zich tegen het einde van de achttiende eeuw naar het platteland, waar de arbeidskosten belangrijk lager waren.
Een achttiende eeuwse anonymicus schrijft in "De Koopman VI", pag. 248: "Daer is naauwlijks één handwerk, één Affaire te bedenken - die zoo geschikt is om veele menschen teffens en inzonderheid arme lieden aan een bestaan en aan brood het brood te helpen, dan de weeverijen; en wel inzonderheid die van de Lakenen, omdat daar nog zooveele andere kostwinningen aan verknogt zijn, buiten zelfs de verscheidene behandelingen van de wolle en het daar van gesponnen garen, vermits de zoo verscheiden behandelingen van de wol, van scheiden en dan van broeyen, wasschen, droogen enz. vlaaken, ploozen. smouten en schrobbelen, kammen enz. nog eer ze nog tot de sponders komt,  vervolgens van kaarden, spinnen, haspelen, strengen en winden, bevoorenzij naar 't weefgetouw gaat; dan van weeven, dan moppen, vollen, broeyen, reinigen, nogmaals moppen en zuivering, weder vollen, wederrouwen en wederscheeren, en zoo aan den verwer overgeeven, zonder hier te spreken van verwingen in de wolle zelf."
Volgens Carleton in zijn Lettres, mémoires et négociations, pag. 113 zouden in Holland  rond  1642 zo'n 25.000 stukken laken zijn afgeleverd. Volgens Kalff brachten negentig weefgetouwen tezamen wekelijks een vijftigtal stukken laken voort. Een stuk was 40 el lang en 65 pond zwaar.

(28) Gareelmaker. Deze vervaardigde met behulp van het gareelblok, waarop men het gareel de vereiste vorm gaf, om het om de hals en schouders van het trekdier passend te maken, garelen. Een gareel was oorspronkelijk een halsjuk van een trekdier, vervaardigd van leer. Later werd ook het getouw, waarin een trekdier gespannen werd, de trekstrengen, waarmede het aan het halsjuk oftewel haam verbonden werd, tot het gareel gerekend.

(29) Impost. Een belasting op verschillende levenspad wandelingen. Bij huwelijk, voor een persoon buiten de geboorteplaats het dubbele, bij begraven gold hetzelfde. Bij de impost was er ook nog een afhankelijkheid aan hoe rijk men was. Had men geen geld dan was huwelijk en begraven en ook doop “pro deo”

(30) Landmeter. De landmeter is de vakspecialist die het openbare of private onroerend eigendom, gebouwd of niet, zowel boven- als ondergronds, identificeert, afpaalt, opmeet, schat, met inbegrip van de werken die er worden uitgevoerd en die de registratie ervan regelt, alsook die van de eraan verbonden zakelijke rechten. Bij uitbreiding bestudeert, ontwerpt en stuurt hij de ruimtelijke ordening en planning, zowel landelijk als stedelijk. Hij getuigt van technische, juridische, economische, landbouwkundige en sociale kennis, die met de hierboven aangehaalde onderwerpen in verband staat.

(31) Deze erfpacht rechten dateren uit de tijd van de vervening en werden ook gehanteerd bij de Stadsmeier rechten in de provincie Groningen. Eén van de condities is dat bij overdracht van het erfpacht recht 5% van de koopsom moet worden betaald aan de (bloot-)eigenaar van het betrokken perceel. Omdat dit erfpacht recht is gevestigd op heemsteden, waarop bebouwing aanwezig is, kan het om forse bedragen gaan. Deze conditie wordt de 'twintigste penning' genoemd, waarschijnlijk omdat ook al eerder soortgelijke condities met de naam 'penning' werden aangeduid (bijv. Alva's tiende penning - 10% van iedere verkoopswaarde als belasting).

(32) Een gilde was een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep. Deze gilden hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan.In een gilde werd kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildeleden werden opgeleid in het vak. Na een gedegen opleiding kon een leerling erkend worden als vakman met de titel "gezel" en uiteindelijk de titel "meester" verkrijgen na het doen van de gilde- of meesterproef. Het proefstuk was in de gildebrieven vrij nauwkeurig omschreven. In De Waag in Amsterdam zijn nog de gildeproeven van de metselaars te bewonderen.[1] In Dordrecht bestond meesterproef van het metselaarsgilde uit het bouwen van een Dordtse gevel, waarvan er nog ongeveer 50 in de stad te vinden zijn.Het gilde behartigde de belangen van de gildeleden, en beschermde hen. Vaak had een gilde het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk, soms zelfs tot een monopolie.

(33) 's Gravendeel was omstreeks 1800 uitgegroeid tot een belangrijke overslaghaven. Veel schepen die over de Dordtse Kil richting Rotterdam voeren (toen de gebruikelijke vaarroute) konden wegens te grote diepgang niet verder komen dan 's-Gravendeel. Daar werden de vaak uit Suriname en Nederlands-Indie afkomstige ladingen overgeslagen op lichtere schepen. In het 'kielzog' van de zogenaamde 'Hannekemaaiers' trokken omstreeks 1800 ook handwerkslieden vanuit Rheinland Pfalz/Westphalen (o.a. kleermakers,kuipers en schoenmakers) mee naar het rijkere Holland. In die tijd ging de landbouw op de Zuid-Holandse eilanden en in Zeeland gedeeltelijk over van de meekrapteelt naar de chichorei-teelt. 's-Gravendeel was omstreeks 1800 ook een centrum voor de vlasindustrie vanwege de vlasbouw in de Hoekse Waard.

(34) Florijn of gulden. f 1550.10.6 = 1550 gulden (florijn). 10 duiten. 6 penningen. Éen gulden bestond uit 20 duiten (stuivers), een duit (stuiver) bestond uit 16 penningen. Van 1500 tot 1900 kan men zeggen dat een gulden nu 30 Euro waard was. Het schommelt tussen de 30 en 15 Euro.

(35) IJkmeester. Belastingen werden geheven over bepaalde eenheden van goederen, meestal gewichten. Er werd bijvoorbeeld een bedrag vastgesteld over honderd pond of duizend kilo. Men moest dan wel zeker weten of het gewicht betrouwbaar was. Daarom moesten gewichten geijkt worden, hetgeen gebeurde door daartoe bevoegde personen, de zogenaamde ijkmeesters. De ijkmeester moest ervoor zorgen dat de gewichten een constante massa hadden. Als hij dat had uitgerekend en het gewicht werd goed bevonden, dan sloeg de ijkmeester zijn stempel in het gewicht. Er waren verschillende soorten gewichten. De zwaarste gewichtseenheid voor de handel was het pond, waarvan de massa iets minder dan vijfhonderd gram was. Zwaardere gewichtseenheden werden in veelvouden van het pond aangeduid. Een zestiende deel van een pond was een ons. Gewichten lager dan een ons hadden meestal geen naam.Kostbare stoffen, zoals goud, edelstenen, medicamenten en dure kleurstoffen werden in een andere eenheid gewogen. Hiervoor werd de marc gebruikt, die gelijk stond aan een half pond. De nauwkeurigheidswaarde van de marc moest hoger zijn dan van de andere gewichten, omdat het hier om zeer dure stoffen ging. Elke keer als de massa van een gewicht afnam, werd er - meestal aan de onderkant - een nieuw propje lood ingeslagen om de massa weer op het juiste niveau te brengen. Er werd dan opnieuw een stempel van de ijkmeester ingeslagen. Tegenwoordig worden er door de nieuwe elektromagnetische weegschalen geen gewichten meer gebruikt en daarom verdwijnt het ijken langzamerhand uit onze cultuur (Wittop Koning/Houben 1980: 15-19).

(36) Kohier. Lijst van belastingschuldigen en het door hen uit bepaalden hoofde verschuldigde bij de directe belastingen.

(37) Buurmeester.Is referendum nu een onderwerp van de hedendaagse politiek, in vroeger jaren bestond het al. Zoals u kunt lezen werden buurmeesters ieder jaar gekozen voor twee jaar uit de eigen bevolking. Eens per jaar in mei en bij onderwerpen waarbij direct een besluit nodig was werd de hele bevolking bij elkaar geroepen en werd er gestemd. Meer democratie kun je niet wensen en alleen bij een meerderheid werden besluiten genomen. Het waren bewoners van Strijen Zij konden lezen, schrijven en rekenen. Voor deze tijd bijzonder. Formeel protestant. De bewoners bijeeen en hielden een buurtspraak. Zij praten daar over het wel en wee van hun buurtschap en kozen uit hun midden de armmeester en de buurmeester. Elk jaar voor de duur van twee jaar werd er een buurmester gekozen en trad dus ook een af. Zo was er altijd een oude en een nieuwe buurmeester in functie. Deze keuze werd formeel bekrachtigd door de schepenen. De oude buurmeester hield het buurmeesterboek bij.

(38) De Marktschipper vervoerde zowel personen als goederen over de rivier de Maas, op vaste tijden en tussen twee steden met de daartussen liggende dorpen. Zoals het woord al aangeeft was dit hoofdzakelijk op de marktdagen van deze steden. De boeren en hun vee werden door hen ernaartoe en terug gebracht. Ze woonden vaak zelf op het platteland.

(39) Dit 'peuijeniersgelt' werd over het hele dorp omgeslagen ten tijde toen prins Frederik Hendrik in 1637 het beleg voor Breda opsloeg. Bij het samenstellen van de legers die werden gebruikt om een aantal steden in het zuiden van het land op de knieen te dwingen en te zuiveren van Spanjaarden, werden ook 4000 Zuidhollandse boeren ingeschakeld voor het graafwerk.

(40) Een vierschaar is het gerechtelijk bestuur van een plaatselijk gebied in de gewesten van de Lage landen tijdens de Middeleeuwen en het Ancien Regime. Aangezien 'bestuur' op dat ogenblik nog niet is opgedeeld volgens het principe van de scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht), maakte deze rechtspraak integraal deel uit van de taken van het bestuur. De hoge jurisdictie berustte vaak bij de graaf, de middelbare en lage jurisdictie bij de plaatselijke ambachtsheer. De naam vierschaar komt van de vier 'geschoren' (gespannen) touwen waartussen de rechtspraak plaats vond. Oorspronkelijk werd er buiten recht gesproken, traditioneel onder een linde. Bij die boom waren vier banken in een vierkant geplaatst, waarop de schepenen plaats namen; in het midden stond dan de beschuldigde. Het is niet de opstelling van de vier banken waarnaar de 'vierschaar' is genoemd, maar de vier gespannen (geschoren) touwen; de vierschaar werd dan gespannen, daarbinnen werd recht gesproken. Op het grondgebied Oudenaarde in de Wortegemstraat, op de grens tussen Bevere en Moregem, kun je nog een originele 'vierschaar' zien. Een kopie hiervan werd opgesteld in Bokrijk.

(41) De kerkenraad is het bestuur van een lokale protestantse kerkelijke gemeente.Theoretisch gezien staat de kerkenraad boven de predikanten. De kerkenraden zijn met name door Johannes Calvijn ingesteld. Een van hun taken was de controle van de predikant. De predikant moest schriftuurlijk prediken. Dat wil dus zeggen: geen ketterijen in de kerk! Een kerkenraad bestaat uit de ouderlingen en de diakenen van een gemeente, de predikant, en soms kerkvoogden (in de Protestantse Kerk in Nederland heten zij kerkrentmeesters).

(42) Verponding werd in 1651 ingevoerd. Dit was een belasting op alle onroerende goederen waaruit inkomsten werden verkregen. Woeste markegronden vielen hierbuiten. Dit belastingstelsel werd gehandhaafd tot en met 1805. Gegevens over de verponding werden opgeschreven in "verpondingskohieren". Deze kohieren geven informatie over het aantal huizen per plaats en wie de huizen bezaten: adel, kerk of burgers. Ook over grond kunnen veel gegevens opgenomen zijn: over de grootte van het bezit, over pacht en eigendom, over betalingen en allerlei grondbelastingen. Al deze details zijn voor ons vandaag de dag heel interessant. De verponding was een vorm van grondbelasting, die tussen de 17e eeuw en 19e eeuw in Nederland werd geheven. Op 1 oktober 1832 werd de verponding opgevolgd door de invoering van de grondbelasting die op het kadaster was gebaseerd. De gegevens die nodig waren om de hoeveelheid te betalen verponding voor een bepaalde eigenaar van onroerend goed uit te rekenen, werden opgetekend in zogenaamde verpondingskohieren. De kohieren waren gebaseerd op maatboeken.

(43) Een ambachtsheer was een heer met plaatselijke regeermacht en bevoegdheid tot rechtspraak. Het ambachtsheerlijk recht, dat los stond van het eigendomsrecht op de grond, was erfelijk en kon ook worden verkocht. Ambachtsheren kwamen vooral voor in Holland en Zeeland. Bekende ambachtsheeren uit de Gouden Eeuw waren Cornelis en Andries de Graeff, Andries Bicker, Johannes Hudde en Nicolaes Witsen Het gebied waar een ambachtsheer zijn jurisdictie uitoefende heet ambachtsheerlijkheid. Hij bezat het recht van lage jurisdictie en de heerlijke rechten in zijn ambacht. Die rechten waren o.a. het aanstellen van een schout, het recht van tol, jacht, (wind)molens, visserij, eendenkooi, zwaandrift, aanwas enz.
Gewoonlijk voerde de ambachtheer de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam.

(44) Attestatie. Binnen de context van christelijke kerken in Nederland is een attestatie een document dat mensen (individuen of gezinnen) mee kunnen krijgen wanneer ze overgaan van de ene kerk naar de andere. Het nut van het attestaat is dat het kerkgenootschap waar men terecht komt, op de hoogte is van de geestelijke staat van de nieuwe leden, zodat de nieuwe leden goed kunnen worden opgevangen in hun nieuwe omgeving. De attestatie bevat een korte beschrijving van de reden waarom de attestatie is uitgegeven, en bevat verder onder meer de volgende gegevens: namen van de betreffende persoon of gezingeboortedatum,doop- en belijdenisdatum (indien aanwezig),eventuele kinderen

(45) Renunciatie is het doen van afstand van een recht.

(46) De chirurgijn was een medisch behandelaar in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Het vak van chirurgijn kwam voort uit het werk van de barbier, dit in tegenstelling tot de universitair opgeleide internistische artsen. In de gasthuizen van de 17e eeuw had een chirurgijn een eigen verbandzaal. Hij werd tijdens het werk geassisteerd door zaalknechts of zaalmeiden. Er bestond een opleiding waarin chirurgijns het vak leerden. De patiënt was hierbij oefenmateriaal. Daarnaast nam men deel aan anatomielessen (soms in een anatomisch theater) waarbij terechtgestelde misdadigers werden ontleed. Veel voorkomende handelingen in die tijd waren aderlating, wondverzorging en de zorg voor botbreuken. Laudanum en alcohol waren de toenmalige verdovingsmiddelen.

(47) 'Stedehouder' of 'stadhouder'. De stedehouder van een dorp is de plaatsvervanger van de schout, die optrad als de schout afwezig was of als er (tijdelijk) geen schout was. Zo was in Dordrecht de stedeschout dezelfde als de onderschout.

(48) De secretaris is de eerste beleidsadviseur van het Nederlandse of het Belgische college van schout en schepenen van een gemeente. Hij werd in de Nederlandse Gemeentewet bestempeld als het hoofd van de ambtelijke organisatie.

(49) Rentmeester.In het feodale tijdvak werd een bezit, zoals een heerlijkheid, beheerd door een rentmeester als de heer langdurig afwezig was, bijvoorbeeld omdat hij verbleef op een ander van zijn bezittingen of in dienst was van zijn leenheer. In dit verband gebruikt men ook wel de term kastelein, een woord dat geleidelijk aan de betekenis van 'herbergier' heeft verkregen. Ook tegenwoordig worden landgoederen nog wel door rentmeesters beheerd.

(50) Tiende penning;

•    De tiende op gewassen werden ook vruchttiende genoemd.

•    Vleestienden of bloedtienden: vervingen de gewone tienden in gebieden waar de veeteelt domineerde of waar de landbouwers via veeteelt probeerden aan de belasting te ontsnappen.

•    Novale tienden: tiende op nieuwe gewassen of nieuw ontgonnen land.

•    Lichte en zware tienden

•    Tiende in functie van een specifieke bebouwing: hooitiende, houttiende, hoptiende, wijntiende, ...

•    Schoof: Omdat de tiende moest verdeeld worden tussen drie of vier instellingen (armen, kerk, pastoor en eventueel bisdom) kon één van de partijen zijn deel apart ophalen. Men spreekt dan over de "derde schoof" of "vierde schoof".

De inning gebeurde aanvankelijk in natura, waarbij men letterlijk een tiende deel van een oogst op de velden ging ophalen. In latere tijden werd de tiende dikwijls verpacht (aan een zogenaamde tiendesteker). Met de tijd werd de tiende ook voldaan in klinkende munt.

De tienden konden worden opgeslagen in een tiendschuur. De meeste imposante zijn de schuren van uitgestrekte abdijdomeinen, zoals bijvoorbeeld die van de Abdij van Herkenrode of de landcommanderij van Alden Biesen.

In dorpen waar de tiende door meerdere partijen werd opgehaald, werd het inningsgebied zorgvuldig afgebakend of via een tiendebeschrijving te boek gesteld. Soms kan men nog hardstenen paaltjes aantreffen, die destijds dienst deden als afbakening van een tiendblok. Dit zijn de zogenaamde tiendpalen.

(51) Lidmaat is een lid van een kerkelijke gemeente.

(52) Hoofdgeld. Het hoofdgeld was een belasting die betaald moest worden voor ieder inwonend gezinslid boven een bepaalde leeftijd. Pas bij resolutie van de Staten van Overijssel van 14 april 1675 kreeg het hoofdgeld zijn definitieve vorm: voor iedereen die ouder was dan zestien jaar zou het gezinshoofd vijftien stuiver moeten betalen. Uit dit jaar dateren ook de oudste kohieren. Weliswaar veranderde van tijd tot tijd zowel de leeftijdsgrens als het op te brengen bedrag, maar aan het beginsel zelf van de heffing werd niet meer getornd. Alleen onvermogenden en armen waren vrijgesteld.

(53) Aalmoezenier: Vanaf de 10e eeuw richtten kloosters hospitalen voor de armen in. Naast ziekenzorg voor zieke kloosterlingen, nam men er ook externe bezoekers of patiënten op. Deze vielen onder de verantwoordelijkheid van een aalmoezenier die hen alle benodigde hulp en zorg moest verstrekken, en die tevens de opdracht had om in de omgeving zieken en behoeftigen op te zoeken. Vanaf de 12e eeuw bestaat ook de functie van pauselijk aalmoezenier die belast is met het beheer en de verdeling van de geldsommen die de paus voor liefdadige doelen wil besteden. Hij is de eerste van de dienstdoende geheim-kamerheren van de paus en neemt als dusdanig ook bij verhindering van de opperkamerheer diens functies over. Hij is ook altijd een titulair-aartsbisschop. De pauselijke aalmoezenier blijft bij overlijden van de paus in functie, maar moet wel door de volgende paus in die functie bevestigd worden. Van 1989 tot 2007 was aartsbisschop Oscar Rizzato pauselijk aalmoezenier. Na zijn opruststelling werd hij in juli 2007 opgevolgd door aartsbisschop Félix del Blanco Prieto. Vanaf het einde van de 15e eeuw namen ook de stadsbesturen meer en meer zelf verantwoordelijkheid op m.b.t. de armenzorg. Ze richtten nieuwe instellingen voor algemene bedeling op, waarbij identificatie, selectie en controle op de armen aanzienlijk werden verscherpt. De verantwoordelijke bestuurders waren de aalmoezeniers (diegenen die de "aalmoezen" verstrekken), gekozen onder de vooraanstaande en rijke burgers van de stad. Het aalmoezenierschap werd als een erefunctie aanzien. Ze werden niet bezoldigd en van hen werd verwacht dat ze ook zelf met eigen middelen een aanzienlijke bijdrage leverden voor de armenzorg.

(54) Een touwslager, lijndraaier, baander of zeeldraaier is een ambachtsman die garens, vroeger meestal van hennep tot touw verwerkt. Sinds het einde van de 19e eeuw is het beroep vrijwel uitgestorven.

(55) In de middeleeuwen was de maatschappij verdeeld in 4 standen. Je had de adel, de geestelijkheid en volk (burgerij). Ook in de gouden eeuw waren er standen. De vier standen bij elkaar:

*De regenten of patriciërs waren rijk. Ze verdeelde de belangrijkste regering baantjes onder elkaar. Andere waren er toch niet geschikt voor vonden ze. De regenten hadden het dus voor het zeggen in de republiek. De meeste regenten woonde in het gewest van Holland.

gegoede burgerij waren vaak net zo rijk als de regenten. Het waren bijvoorbeeld kooplieden, rijke boeren en eigenaars van fabrie*De ken. Maar ook een belangrijke schilder kon erbij horen.

*De kleine burgerij verdiende net genoeg om van te leven. Ze werkten als ambachtsman, kleine handelaar, winkelier of schoolmeester.

*Het gemeen Het had soms wel en soms niet werk. Als er geen werk was moest het gemeen bedelen. Deze groep werd ook wel het grauw of het janhagel genoemd. Het gemeen vormde de grootste groep.

(56) De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap In het jaar 1318 vond in 's-Hertogenbosch de offici‘le oprichting plaats van een broederschap ter ere van Maria. De originele oprichtingsacte is bewaard gebleven en bevindt zich in het archief van de Broederschap. De leden van de Broederschap kwamen samen in hun eigen kapel in de St Janskerk waar zij o.a. de vespers vierden. Later bouwden zij tot tweemaal toe een nieuwe kapel; de laatste is de huidige Heilige sacramentskapel naast het zijkoor. Naast de verering van Maria was de Broederschap actief op het gebied van de armenzorg. Ook heeft de Broederschap vanaf de 14e eeuw in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van 's-Hertogenbosch als belangrijk centrum van laat middeleeuwse muziek. In de 15e eeuw vond mede als gevolg van het instituut van buitenleden, een enorme uitbreiding van het aantal leden plaats tot ver in het huidige België en Duitsland. In de loop van de 16e eeuw nam het aantal leden drastisch af, terwijl toen ook het geestelijke devotionele element aan betekenis inboette. Bijeenkomsten in het eigen huis in de vorm van het houden van maaltijden met muziek gingen een steeds belangrijkere plaats innemen. Onder de leden van de Broederschap treft men in de 15e en 16e eeuw fameuze personen van velerlei aard, in welk verband hier Willem van Oranje alsook Jeroen Bosch zeker niet onvermeld mogen blijven. Ook belangrijke geslachten zoals van Nassau, Van Egmond, Van Wassenaar, Van Brederode, Bronkhorst en Van Bylandt waren in de Broederschap vertegenwoordigd. In de tachtigjarige oorlog maakte de Broederschap moeilijke tijden door, maar ook na de verovering van Den Bosch in 1629 door Fredrik Hendrik bleef zij bestaan. In 1641 verzocht de protestante gouverneur van 's-Hertogenbosch met enige van zijn vrienden toelating tot de Broederschap. Hun verzoek werd gehonoreerd. Er kwamen nieuwe statuten, die onder meer bepaalden dat de Broederschap voortaan zou bestaan uit 18 leden (broeders) in de Rooms Katholieke en 18 leden in de Reformatorische lijn. Dit is tot op heden het geval. Naast deze 36 Broeders kent de Broederschap thans o.m. candidaatleden en candidandi. Daarenboven is en wordt aan vorstelijke personen de eretitel van Zwanenbroeder aangeboden. Thans zijn er drie vorstelijke leden.

(57) De Pensionaris of advocaat was de aanduiding voor de voornaamste adviseur in dienst van een stad of gewest in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De adviseur van de gewestelijke Statenvergadering heette raadpensionaris. De stedelijke pensionaris werd aangesteld door de vroedschap. De volgende steden kenden pensionarissen: Dordrecht, Haarlem, Leiden, Delft, Amsterdam, Gouda, Schoonhoven, Brielle, Alkmaar en Middelburg. In sommige steden, zoals in Groningen of Emden was sprake van een syndicus in plaats van een pensionaris. De voornaamste taak van de pensionaris was het adviseren van de stad in juridische aangelegenheden. Hij hield niet alleen de door de stad gevoerde processen in de gaten, maar trad ook op als woordvoerder in de gewestelijke Statenvergaderingen. Meestal behoorde ook het toezicht op de secretarie en de stedelijke financiën tot zijn takenpakket. In eerste instantie trad de pensionaris ook op als secretaris bij de vergaderingen van de burgemeesters de vroedschap en het gerecht, maar hij werd als gevolg van de uitbreiding van zijn werkzaamheden later vaak vervangen door een secretaris. Doordat de pensionaris vast in dienst was, in tegenstelling tot de bij toerbeurt optredende regenten, kon hij vaak grote invloed uitoefenen op de stedelijke politiek.

(58) Procureur is de advocaat die optreedt voor de rechtbank.

(59) Een prelaat ( Latijn: praelatus : "aan wie de voorrang gegeven is") is een seculier of regulier geestelijke in de Rooms-katholieke Kerk die krachtens zijn ambt een bijzondere bestuursmacht bezit over een bepaald kerkelijk rechtsgebied (de prelatuur). Meestal gaat het dan om kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen, kanunniken, abten en priors.

(60) Pachten: Tegenwoordig is het heffen en invorderen van belastingen een overheidstaak. In die tijd  had de overheid dit echter in veel gevallen overgelaten aan particulieren. Alleen de wetgeving was geregeld. Particulieren konden de heffing en invordering van een belastingsoort "kopen" voor de periode van meestal een half jaar. De hoogste bieder mocht gedurende dat halve jaar de belasting in een bepaalde regio invorderen en de opbrengst in z'n eigen zak steken. Tegenover deze opbrengsten stonden wel de kosten van het uitgebrachte bod en de bijkomende kosten. Het was de kunst om uiteindelijk meer opbrengsten dan kosten te hebben. Het betrof accijnzen op goederen zoals bier, wijn, zout etc. Net als nu betaalden de mensen toen ook al niet graag belasting. Hun boosheid richtte zich in die tijd vaak tegen de pachter, en niet tegen de overheid. .

(61) Haardstedegeld, ook wel schoorsteengeld genoemd, was een belasting die geheven werd op het eigendom van een huis. Het aantal stookplaatsen in het huis, wat weer afhankelijk was van de grootte van het huis, was bepalend voor de hoogte van de belasting. Het bedrag dat Cornelis de Bruijne moet betalen, wordt ook betaald door de meeste inwoners van het dorp.

(62) Een classis is een regionale vergadering binnen een protestants kerkgenootschap. Zij is het laagste boven-gemeentelijke bestuursniveau. De classis bestaat uit afgevaardigden van iedere kerk uit het classisgebied. Meerdere classes vormen een provinciale synode en de provinciale synodes komen samen in de landelijke of generale synode. Binnen de Protestantse Kerk Nederland zijn bij de fusie van de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden de provinciale en particuliere synode afgeschaft; de classes vaardigen daarom vertegenwoordigers af naar de landelijke synode. De taak van de classis is om de onderlinge band tussen de gemeenten te bewaren, elkaar materieel en geestelijk te steunen, toezicht op de gemeenten te houden en zaken te behandelen die niet door de plaatselijke kerken kunnen worden afgehandeld. Doorgaans wordt er twee tot vier maal per jaar door een classis vergaderd.

(63) Feodaal systeem, voor meer informatie kijk op Wikipedia: Leenheer hij die aan een lagere een “leen” in bezit (te leen) geeft, zoals beschreven  in een leenverhouding,  leenman die in het bezit was van een “leen” en zorg draagt voor de uitvoering van de beschreven leenverhouding .

(64) Memorielanden: In de veertiende eeuw werd het gebruikelijk onder de welgestelden om de kerk opdracht te geven om jaarlijks op hun sterfdag een mis op te laten zeggen ter hunner nagedachtenis. Tegelijkertijd werd er aandacht aan de levenden geschonken, er werd bijvoorbeeld brood uitgedeeld aan de armen. De betaling van de kosten hiervan werd zeker gesteld door de opbrengst van een bepaald stuk land, dat daartoe werd aangewezen. De naam voor zo'n stuk land, memorieland, hangt natuurlijk samen met de herdenkingsmis. Men kon ook een stap verder gaan en een geldtoelage aan de pastoor (het was nog voor de reformatie) en de koster instellen, om bijvoorbeeld wekelijks een mis op te dragen. Zo'n toelage heette een prebende, het land dat de betalingen moest opbrengen werd vicarieland genoemd. Een vicarie was meestal verbonden aan een altaar in de kerk. Omdat het eigendom van het land overerfde op de kinderen van de stichter van een memorie of een vicarie, bevat de administratie van het eigendom van deze stukken land waardevolle genealogische informatie. Ook na de reformatie werden deze memorieboeken nog vaak bijgehouden, wel omgevormd tot leggers of blaffaards, waarin iedere verandering werd opgetekend. Sommige van deze administraties gaan nog tot in de late 18e eeuw door, daarna wordt het land als "gewoon" erfgoed beschouwd.

(65) Possetrice is een bezitster van een vicarie of een een memorieland, zie 64

(66) De turfton = 227 liter [4] Gebruikt voor het afwegen van turf. Deze ton kon  gehuurd worden tegen een gering bedrag, wanneer bijvoorbeeld een schip turf gelost moest worden. De opbrengst hiervan kwam ten goede aan de armen van het dorp.)

(67) De koehistorie. (Koedief). Een arme boer (volgens Van Oudenhoven uit Hendrik-Ido-Ambacht) had een zeer prachtige koe waarvan hij in 1336 op een bedrieglijke wijze door een officier (de baljuw in dit geval: Willem Willemsz. van Zirckzee, sinds 1331 baljuw) werd beroofd. Op aanraden van zijn vrienden waagde hij het zijn beklag te doen bij Graaf Willem III, die de boer gunstig aanhoorde en de officier dadelijk bij zich te Valenciennes ontbood. Deze meende zich te mogen verontschuldigen, daar hij de boer een andere koe die er nagenoeg op leek had gegeven. Vergeefs echter. De Graaf liet hem eerst aan de boer honderd gouden kronen betalen en zei vervolgens: "Nu is wel de boer voldaan, maar nog geenszins het recht." Daarop liet hij de baljuw onthoofden. Deze daad van Willem III wordt door de geschiedschrijvers bijgebracht tot een bewijs van zijn strikte onpartijdigheid en zijn rechtschapen hart, in een tijd waarin men niet gewoon was de boeren onder de bescherming der wetten te rekenen, en men zich daarom allerlei willekeurigheden tegen hen veroorloofde. Ook de naamsoorsprong van Luishoek, een stuk land in de Devel, kan tot dat voorbeeld dienen. Een edelman die het leven van een boer "aan zijn luimen had opgeofferd" werd door "een hogere arm dan die der aardse gerechtigheid, vreselijk gestraft". Het stuk land dat de Koedief genaamd was, ligt – komende vanuit Zwijndrecht via de Langeweg, links voor de Bootjessteeg, bij de kruising Langeweg-Bootjessteeg-Krommeweg.

(68) Kindermaker, Als beroepsduiding  werd in eerste instantie gegeven, met verwijzing naar het Middeleeuws Handwoordenboek, kinderman = kraamheer, vroedmeester. Een verklaring die meer acceptabel is wordt gegeven in Kronieken 2), 9e jg., nr. 4, pag. 266: een kindermaker is een 'maker' van kindekijns. 'Kindekijn' is het Middelnederlandse woord voor een vaatje of tonnetje, ook wel 'kinnetje' genoemd. Deze werden gebruikt voor het bewaren van o.a. boter en haring. Met andere woorden het is een maker van houten tonnetjes. Dit is aannemelijker omdat te Delft in 1543 de kindermaecker woonde temidden van handwerkslieden als een stoeldraaier, een brouwersknecht, een scheepmaker e.d.

(69) Kooiker(Kooiman). Houder van een eendenkooi.Waarschijnlijk is deze manier van vangen in de Middeleeuwen hier te lande ontstaan. In de zeventiende eeuw lieten vooraanstaande (adellijke) families de meeste eendenkooien aanleggen. Een eendenkooi bestaat uit een vijver of plas en één, maar meestal meerdere vangpijpen. Dit zijn sloten die op de vijver of de plas uitkomen en gedeeltelijk met netten overdekt zijn. Omdat eenden, wanneer ze willen opstijgen dat bij voorkeur tegen de wind in doen, zijn meerdere pijpen wenselijk. Langs die uitlopers, de kooipijpen en de vijver staan rieten wanden met kleine openingen. Ze zijn zo geplaatst dat de eenden niet kunnen zien wat er achter gebeurt. In en om de kooi is het terrein bebost. Buiten het gekwaak van de eenden en het geluid van tjilpende vogels is het stil. Vanaf de zestiende eeuw kregen eendenkooien rechtsbescherming (paal- of afpalingrecht). Dit hield in dat binnen een straal van ruim 1 km rond het midden van een kooi geen lawaai mocht worden gemaakt. Op diverse plaatsen werd dat paalrecht afgekocht of ging om andere oorzaken verloren, waardoor ook vele eendenkooien verloren gingen. Degene die het eigenlijke werk doet is de kooiker. Met behulp van de lokeenden werden/worden de wilde eenden naar het water van de eendenkooi gelokt. De tamme eenden vliegen enkele uren na zonsondergang naar hun foerageergebied en keren tegen zonsopgang weer naar hun woongebied, de vijver terug gevolgd door wilde eenden. Ook overtrekkende eenden, die het gesnater horen gaan naar de plas of vijver. De eenden die, aangelokt door de lokeenden, in de vijver neerstreken werden met behulp van de kooikershond(en) één van de pijpen ingejaagd. Uiteindelijk belandden ze in een soort fuik, waar de kooiker of zijn hulp(en) ze vingen en ze de nek omdraaiden, waarna ze ten dele naar de eigenaars gingen en verder aan de liefhebbers werden verkocht. Deze eenden bevatten dus geen hagel. De op deze wijze uitgeoefende jacht was niet het hele jaar open.

(70) Korenkoper. In Amsterdam over het algemeen een handelaar in granen die vooral in het Oostzeegebied actief was. Verder kwam graan vroeger ook uit Frankrijk. Aldaar liet Willem Pietersz. Hooft (1549 - 1605), korenkoper na zijn dood een vermogen na van meer dan fl. 200.000,--. Ze waren niet altijd even geliefd. Zo volgde na de strenge winter 1564/1565 een hongerjaar waarin de korenkopers grote voorraden op hun zolders vasthielden om de prijs extra op te jagen. De Haarlemse rederijker Lauris Jansz gaf in zijn stuk "Het spel van het koren" twee korenkopers de veelzeggende namen 'Nimmer genoeg' en 'Onverzadigbare Begeerte' (Ned. Hist. 1967, p. 27). Ook waren er wel problemen over de kwaliteit van het graan ("..roggemeel, veeltyds gemaalen van slecht koorn", Utr. Plac. Bk 3, 793 a v. 1656). In 1342 kreeg Delft van Graaf Willem IV drie rechten er bij met betrekking tot de korenhandel. Het waren de bordije, de makelaardije en het uitzetten. De bordije of borije of boringe was het recht om van stadswege het graan te boren, d.w.z. steekproeven te nemen in de schuiten om te zien of de onderste laag van dezelfde kwaliteit was als de bovenste. De makelaardije gaf het recht om als tussenpersoon, als makelaar, op te treden. Het uitzetten was het recht om koren te koop aan te bieden.

(71) Kuiper. De kuipers worden onderscheiden in natte en droge kuipers. De laatste maakt vaten om droge stoffen in te bewaren. De natte kuipers vervaardigden vaten als haringtonnen, wijn- en biervaten, wringtobbes, pers- en opslagkuipen.Daarnaast werden emmers, wastobbes en ook wel drijvers voor netten vervaardigd.De verschillende producten, die in de vaten moesten worden opgeslagen stelden verschillende eisen.Haringvaten of regentonnen behoefden niet van de allerhoogste kwaliteit te zijn. Als grondstof gebruikte men inlands grenen of eiken. Voor cognac was  bij voorkeur Frans eiken de grondstof, voor andere alcoholische  dranken gebruikt(e) men Slavonisch of Amerikaans eiken. Biervaten moesten aan de binnenkant gepekt worden, zodat het hout geen invloed op de smaak kon uitoefenen. Voor de hoepels gebruikte men oorspronkelijk wilgenhout, later werd dit vervangen door ijzer.De duigen werden op maat gemaakt met behulp van verschillend gereedschap. Wanneer de duigen op maat en in de juiste vorm zijn gebracht, worden ze rechtop gezet en àan een kant bijeengehouden door beslagbanden. Vervolgens wordt het vat met de wijde kant naar beneden boven een vuur rondgedraaid, zodat ze kunnen buigen. Vervolgens wordt het vat in wording omgekeerd, waarna men de duigen met een strop, die aangedraaid kan worden, in het juiste model brengt, waarna ook daar een hoep kan worden aangebracht. Onder en boven wordt een groef aangebracht waarin de bodem en later het deksel worden vastgezet. Zo nodig wordt een gat aangebracht met een stop, zodat daar t.z.t. een kraan in kan worden bevestigd. De wringtobbes, pers- en opslagkuipen ten behoeve van de zuivelindustrie worden van teakhout gemaakt.

(72) Ridder is een adellijke titel. De ridders hebben de laagste titel in de adel; onder hen staat de ongetitelde adel en baronnen zijn hoger in rang. In de middeleeuwen was een ridder een bewapende ruiter, de stand der bewapende ruiters werd al snel een gesloten klasse. In Nederland en België bestond vroeger ook een vrouwelijke equivalent welke millitissa werd genoemd. De titel ridder komt in Nederland en Vlaanderen op twee manieren voor: "op alle" en "met het recht op eerstgeboorte".In het eerste geval heeft ieder lid van de betreffende adellijke familie (dat wil zeggen iedere mannelijke afstammeling, in mannelijke lijn) recht op de titel.In het tweede geval wordt de titel vererfd in Salische lijn. Dat wil zeggen dat de oudste mannelijke afstammeling van de eerste drager van de titel zich ridder mag noemen. De rest is dan dus titelloos.

(73) Een hofmeester (lat. Magister curiae) was als lid van de karolingische ministerialiteit verantwoordelijk voor het hof-huishouden van de leenheer.Oorspronkelijk zorgde de drossaard (drost) voor de tafel van de heer. Deze taak ontwikkelde zich in de 8e en 9e eeuw n.C. in twee richtingen. Aan de ene kant krijgt de drost steeds meer taken buiten het hof en wordt hij een bestuursambtenaar in een afgebakend ambtsgebied, bijvoorbeeld in het oorspronkelijke gebied van de graaf. Zo bekeken is hij de voorloper van de ambtman (amman). Aan de andere kant ontwikkelt de taak van de drossaard zich tot die van hofmeester (magister curiae) en beperkt deze zich meer en meer tot het organiseren van feestelijkheden en de garderobe van de heer. De term "Hofmeester" wordt tegenwoordig nog gebruikt als de benaming van een kelner bij de Nederlandse defensie. Op passagiersboten heeft hij dezelfde functie en is daarmee vergelijkbaar met een 'steward' in een vliegtuig.

(74) Het Sint-Jorisgilde van Gent was tot vóór de Franse Revolutie het eerste en voornaamste van de vier hoofdgilden die borg stonden voor de veiligheid van de stad. Het kruisboogschuttersgilde (voetboogschutters) van Sint-Joris werd als eerste reeds vermeld in 1314 in de Gentse stadsarchieven en was het voornaamste door de doeltreffendheid van het wapen dat zij gebruikten, de kruisboog

(75) Landpoorter; Was hij die de rechten van een stedeling had, zonder stedeling te zijn.

(76) Poorter is een historische benaming voor een burger die zich het recht verworven had binnen de poorten van een plaats met stadsrechten te wonen. Men kreeg dit poorterrecht of burgerschap door zich laten registreren bij een magistraat van de stad,

(77) Lakenvolder. Werkman in de lakenindustrie met als taak het weefsel van het laken hechter te maken door de vezels dichter bij elkaar te brengen. Eerst werd het gereinigd en ontvet. Hiervoor werd vollersaarde (vollersmergel) gebruikt. Oorspronkelijk gebeurde het vollen in grote volkuipen, die gevuld waren met warm water, de zeepplant en zemelen, later gebruikte men volaarde, vet of boter en urine. Dit laatste werd in kruiken van huis meegebracht. De bewoners van Tilburg ontlenen hier hun scheldnaam 'kruikezijkerd' aan. In deze kuipen werd het laken gedeponeerd. Vervolgens stampten de volders in deze kuipen enige uren naakt op dat laken. Dit kromp daar door en kreeg enigszins een viltachtige structuur. Na het vollen moest het laken weer gewassen worden, waarna het verder werd verwerkt. In de loop van de zeventiende eeuw kwamen volmolens tot ontwikkeling, die dit zware werk overnamen.

(78) In oude archiefstukken ook wel Blaueverwer genoemd. In het productieproces van de lakennijverheid, was het verven van het laken misschien wel de belangrijkste bewerking. Als het laken was geweven, ging het naar de verver. Deze bereidde zijn verf in grote ketels, die hij eerst vulde water waaraan zaagsel en wat gemalen meekrap werd toegevoegd om het water te verzachten. Als deze stoffen hun werk hadden gedaan werden ze verwijderd en werden plantaardige verfstoffen en beitsmiddelen als aluin en urine. Voor de kleur blauw werd oorspronkelijk een in Thüringen gekweekte plant gebruikt, wede. Later, na het op gang komen van de vaarten naar het verre Oosten werd dit vervangen door het betere indigo. (Dit is later weer vervangen door indanthreen blauw). Het mengsel werd aan de kook gebracht en dan roerde de verver - meestal bijgestaan door enige knechten - met lange stokken de lakens urenlang door het dampende verfbad.Terwijl de stof zorgvuldig werd gedraaid, veranderde de kleur van het water door de toevoeging van zuurstof van groengeel in blauw. Door andere grondstoffen toe te voegen kon men voor kleurschakeringen zorgen. Wanneer de kleur zich aan het laken had gehecht, werd de stof zorgvuldig uitgespoeld. In de tijd van de lakennering duurde het afwerken minstens een en soms twee tot drie dagen. Een blauwverver uit die tijd kon op deze maniewr drie tot vier kuipen per week afwerken. In de latere tijd ziet men dat het verfbad veranderingen ondergaat. Boven de kuip kwam een ijzeren kroonring te hangen waar de te verven of bedrukte stof werd gespannen, waarna men de stoffen met de ring onderdompelde. Dat werd zo dikwijls herhaald tot de stof de gewenste kleur had. Een nauwkeurig werk, want de schoonheid en de deugdelijkheid van de kleuren waren immers doorslaggevend voor de handelswaarde van het laken. Na het verfbad werden de lakens goed uitgespoeld en buiten aan palen te drogen gehangen. Soms hielden de wevers het weven en het verven in eigen hand. Zo werd 30 augustus 1608 in het Poortersboek van Alkmaar ingeschreven: "Christoffel van der Meer, blauwverver ende wever uijt Vlaenderen" 1).Ook bestaande kleding werd geverfd, bijv. ten tijde van rouw. Met blauwverven kon men tot diep donkerblauw, bijna zwart komen. En kleding laten verven was goedkoper dan het kopen van nieuwe kledij.In het oosten van ons land was het blauwverven in feite een verlengstuk van de huisarbeid. Toen in die regio het spinnen en weven als huisarbeid verdween, had ook de blauwverver geen reden tot bestaan meer. Een enkele heeft tot in de twintigste eeuw het bestaan weten te rekken.

(79) ZIE Ambtman (18). Een Ambtman (Amtmann, lat. iudex) is de middeleeuwse benaming voor een beheerder van het woud. In de middeleeuwen werdhet landgoed van een koning of vorst door een Ambtman beheerd. De Ambtman zag toe op het onderhoud van het woud, het kappen en de verwerking van het hout, het innen van de woudpacht en was opzichter over het in het woud werkzame personeel (forestarii). Bij de Hertog van Gelre was een ambtman een (hoge) bestuurder van een gebied namens de Hertog. De functie was vergelijkbaar met dat van een burgemeester of met een hogere rang dan die van schout. De functie was vaak ook erfelijk en kon ook verkocht worden.

(80) Kameraar, een van de schepenen die aangewezen werd om het financieel beheer te regelen.

(81) Gemene bure. De kleinste vormen van bestuur zijn de buren in het dorp, waarvan de grenzen samenvallen met die van de parochie. Vaak spreekt men dan ook van een "ban", een lokale jurisdictie. Dit hangt ook samen met gemeenschappelijk grondbezit en het gemeenschappelijk gebruik van ongedeelde niet in cultuur gebrachte gronden, die eeuwenlang ook gemeenschappelijk blijven. Deze buren in de dorpen, ook wel gemene buren genoemd, kunnen in allerlei opzichten een vuist maken en voor de (dorps)belangen opkomen.

(82)    Met leenrecht wordt een uitgebreid costume bedoeld ten tijde van het feodale leenstelsel. Het leenrecht regelde de rechten en plichten tussen de leenheer en de leenman, de persoon die een gebied in beheer kreeg. Stierf de leenman dan had diens zoon, als opvolger, het recht op dat leen, boven een buitenstaander. Tot het moment dat er geen opvolgeling meer is. Meestal ging het leen dan naar een ander, waarbij deze meestal een pandsom moet aflossen aan de leenheer. In een groot aantal gevalen werden deze afspraken vastgelegd in een meervoudig verslag, opgemaakt door een griffier of een baljuw. Zo'n verslag werd in de Graafschap Vlaanderen een denombrement genoemd. Het gebeurde echter ook dat de heer de grond weer naar eigen beheer trok. Vóór de Franse Revolutie kenden de Nederlanden verschillende gewoonterechtsgebieden, waar verschillende costumes of costuimen heersten. Met de institutionele hervormingen van de Franse Revolutie werd de regionale costumen afgeschaft en vervangen door een centrale geschreven wetgeving, die werden samengevoegd tot de Code Napoleon, daarmee werd de grondslag gelegd van het zogenaamde statutaire recht.

(83)    Begijnen en begarden zijn resp. vrouwen en mannen die leven als alleenstaanden en deel uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk en meestal in een begijnhof verblijven. Anders dan een lid van een kloosterorde leggen begijnen en begarden geen eeuwige geloften af; hoewel zij kuisheid beloven, mogen zij wel geldelijk en onroerend eigendom behouden. Door sommigen wordt de term begijn ook (spottend) gebruikt voor vrome vrouw of kwezel.

(84)    Maarschalk. Aanvankelijk was de maarschalk, als stal- of paardenbeheerder, ondergeschikt aan de legeraanvoerder, de Constable (Engeland) of de Connétable (Frankrijk). Vanaf het eind van de middeleeuwen worden echter al hoge legerofficieren benoemd met die rang en vanaf de 18e eeuw komt de maarschalk voor als hoogste militaire aanvoerder in de legers van Frankrijk en Engeland. Onder Napoleon I werden de Maréchals-de-France machtige militaire aanvoerders met politieke invloed.